Navigatie Link overslaanStart > Geloof > Johannes van het Kruis > Fuente 2002.10.12

Lezing Fuentedag 12 oktober 2002                                                                       Jeanne Deutekom

Lieve mensen,
 
Nogmaals welkom aan U allen, vandaag hier samengekomen om te luisteren en na te denken over wat Sint Jan van het Kruis ons te zeggen heeft.
Voor de meesten onder ons is hij al enigszins een bekende. Voor enkelen daarentegen wellicht nog de grote onbekende naar wie zij, aangeraakt door iets of iemand, nieuwsgierig geworden zijn. Voor hen, even in het kort: wie is die Sint Jan van het Kruis?
 
Een Spaanse karmeliet uit de 16e eeuw; een man met een kritische geest, met een drang naar het absolute; niet tevreden met het Karmelleven zoals dat in zijn klooster te Toledo werd beleefd. Hij wordt de grote hervormer van de Karmel en gaat door met verwezenlijking van zijn ideaal: vorming van Karmelieten en Karmelietessen én vorming van leken die ernst willen maken met hun geestelijk leven.
En zo zijn wij vanuit de zestiende eeuw aangekomen bij onszelf, hier in Castricum bijeen, omdat ook wij, levend in het begin van de 21e eeuw, in hem een leider en inspirator op onze weg naar God hopen te vinden.
 
Sint Jan van het Kruis, de grootste mysticus van de westerse cultuur, neemt met het kleinste oeuvre ook een eerste plaats in onder de lyrische dichters van de wereldliteratuur.
Waar wij ons tijdens eerdere bijeenkomsten hebben verdiept in enkele gedeelten uit zijn proza, wil ik deze keer graag onze aandacht doen uitgaan naar één van zijn mystieke gedichten, getiteld: “Na een waagstuk van mijn liefde”; ontstaan in één van de meest actieve perioden van zijn leven. In krachtige en zinrijke beelden wordt hierin gesproken over volstrekt inwendige genaden.
 
De taal van dit gedicht is op het eerste gezicht niet gemakkelijk te verstaan, evenmin als Sint Jan’s andere werken. Sint Jan lezen is een weg opgaan, op zoek naar God; een weg die veel van ons eist.
Zo’n zoektocht heeft alleen maar kans op succes wanneer wij van tijd tot tijd afstand proberen te nemen van de dingen van alledag, door ons terug te trekken, zo zegt Sint Jan, in onze binnenkamer, daar het benodigde voedsel tot ons te nemen of in de stilte van ons hart ruimte te scheppen voor de ervaring van Gods liefde voor ieder van ons: een liefde, die hartstochtelijk wacht om toegelaten te worden en wederliefde te ontvangen.
 
Het klinkt allemaal zo mooi; maar hoe moeilijk is het voor ons om staande in deze wereld die ons zoveel te bieden heeft, die door een zo wereldwijde informatie beslag legt op onze gedachten, tijd en innerlijke rust te vinden voor wat Sint Jan ons als noodzakelijk aangeeft voor onze groei naar wie wij mogen uitzien als onze Beminde.
 
Vandaag hebben wij er de tijd voor genomen.
Zoals ieder die op Zeeveld verblijft zijn we een dag “monnik” geworden: weg van huis, en zo niet in de barre, woeste schoonheid van het Castilliaanse landschap, dat blijft boeien in zijn zonovergoten grootsheid, dan toch in onze ook heel mooie streek van vrije duinen, een breed wit strand, mooie bossen en een fraaie overgang naar het open polderland. Een omgeving, die uitnodigt tot stilte en bezinning om zoekend ook ons pad te vinden, ondersteund door wat Sint Jan ons in zijn “Levende Vlam van Liefde”voorhoudt.
Hij zegt daarin:
“Op de eerste plaats dient men te weten dat, als de ziel God zoekt, haar Beminde haar nog veel méér zoekt. Als zij van haar kant haar liefdevolle verlangens op Hem richt, welke zoiets is welriekends voor Hem hebben als de rookzuil die opstijgt uit de aromatische kruiden van mirre en wierook (Hooglied 3:6), dan laat Hij naar haar overstromen de heerlijke geur van zijn balsem, waarmee Hij haar tot Zich trekt en haar Hem doet na-ijlen”.
“De ziel moet zich realiseren, dat in deze aangelegenheid God degene is die het voornamelijk doet. Hij is als iemand die een blinde leidt.
Hij moet de ziel dus bij de hand leiden naar de plaats waar zij niet kan komen: de bovennatuurlijke dingen, waarvan noch haar verstand, noch haar wil, noch haar geheugen weten hoe ze zijn.
Haar voornaamste zorg dient dus te zijn, toe te zien dat zij Degene die haar leidt, geen hinderpalen stelt op de weg die God voor haar in de volmaaktheid van Gods wet en het geloof heeft uitgestippeld”.
Keren we ons dan nu naar het beloofde gedicht; een gedicht dat voor ons zowel troost als uitdaging kan zijn.
Het laat ons weten dat de godservaring waarover Sint Jan spreekt ook voor hem niet zomaar uit de hemel kwam vallen. Hoe ervaren al in zijn omgang met God bleek deze uit eigen kracht onbereikbaar.
Verlangen naar, inzet zijnerzijds, waren niet toereikend. Hij kwam tot het inzicht dat ondanks alle goede wil en pogen het nooit de mens alléén is die deze kan bewerken. Teleurstellingen, vaak diepe duisternis, deden zijn liefde en vertrouwen echter niet verminderen. Steunend op het geloof, op de grote kracht macht van de hoop en van de gaven van de Heilige Geest, waagde hij het opnieuw, steeds weer, totdat…………..,
en ik zeg het met zijn eigen woorden: “ik vloog op, zo hoog, zo hoog, dat ik haalde wat ik najoeg”.
Woorden van Sint Jan: van een volmaaktheid, indrukwekkend en schoon; woorden die ons willen optillen tot wat wij nooit lijken te kunnen bereiken.
 
Gelukkig zijn er nog andere leermeesters om ons heen die ons voorhouden dat Sint Jan op weg zet naar het hoogst bereikbare, dat slechts voor weinigen is weggelegd.
In een samengaan van roeping en totale inzet mocht hij tot zijn heel bijzondere Godservaring komen. De weg daarheen heeft hij verbeeld in zijn gedichten en op verzoek van anderen, die eenzelfde mystieke drang ondervonden, er uitleg aan gegeven.Hij heeft zijn oorspronkelijke omgang met God zo nagetekend dat velen in zijn proza en poëzie een herkenbare en navolgbare levensweg hebben gevonden.
 
Wij gaan nu luisteren naar het gedicht. Lees het vaak, als voedsel voor onderweg. Je gaat er steeds meer jezelf in herkennen. En waar Sint Jan spreekt van één op duizend vluchten: wanhoop dus niet!
Sint Jan, mens als wij, mocht zijn Beminde ontmoeten op de hoogte waartoe God hem geroepen heeft. Dat wij, in navolging van hem, de moed nooit opgeven, maar ons laten uitnodigen daar te komen, waar God op ons wacht, ingevolge ieders roeping en naar onze eigen mogelijkheden.