Navigatie Link overslaanStart > Geloof > Johannes van het Kruis > Fuente 2003.09.27

Fuentedag 27 september 2003 Tekst uitnodiging
 
FUENTE                                BRON
 
O kristallijnen bronwel,
Mocht in het zilvren schijnsel van uw wezen
Ge ineens te aanschouwen geven
De zo verbeide ogen,
Waarvan ik binnenin mij ’t vage beeld draag.
 
Verklaring
 
Zozeer verlangt dus de ziel ernaar zich met de Bruidegom te verenigen. Zij ziet dat zij voor deze vereniging bij geen enkel schepsel hulp of heul vindt. Daarom gaat zij weer spreken met het geloof, omdat dit haar op de meest heldere wijze licht zal verschaffen over haar Beminde. Hiertoe gebruikt zij het geloof als middel. (Want er bestaat waarlijk geen enkel ander middel om tot de werkelijke vereniging met God en de geestelijke verloving te komen. Dit geeft Hij bij Osee [2:20] te verstaan waar Hij zegt: Ik zal mij met u verloven in geloof.) Vol brandend verlangen zegt zij tot het geloof wat nu volgt, hetgeen de betekenis is van deze strofe: O geloof in Christus, mijn Bruidegom! Gij hebt de waarheden over mijn Beminde in mijn ziel gestort, maar ze zijn nog gehuld in duisternis en nevel (zoals de theologen immers zeggen is het geloof een deugd-houding [jegens God] temidden van duisternis. Mocht ge die waarheden eens zo helder openbaren, dat ge wat ge me nu meedeelt in onbepaalde en duistere inzichten, opeens helder en onthuld toonde, en wel door u van die waarheden terug te trekken (het geloof is immers een omhulling en omsluiering van de waarheden over God)! Mocht ge ze toch volmaakt en volkomen doen overgaan in een manifestatie van glorie!
            Dan zegt zij het vers:
 
O kristallijnen bronwel!
 
Om twee redenen spreekt zij hier van een ‘kristallijnen’ geloof:

Lezing Fuentedag 27 september 2003                                                 Klaas Kroezen
 
BRON
 
Een bron lijkt een geheim. Je ziet helder water dat telkens weer met kracht naar boven stijgt, maar de bodem van de bron zie je niet, hoe helder ook het water is. Het oer-begin van de bron blijft in het duister.
 
Een paar maanden terug waren we bij een zwager van ons in Limburg op bezoek. Hij adviseerde ons om eens in Elsloo bij het kasteel onze auto neer te zetten en dan een paar honderd meter het bos in te lopen. Daar zouden we een donker gat zien, waar we in moesten gaan. Dit was een tunnel onder het spoor door. Er liep een klein stroompje water door de tunnel met aan één kant een smal glibberig padje. Halverwege zou je bij je eigen denken 'wat doe ik in godsnaam in deze donkere tunnel, is het niet verstandiger om terug te keren'. Maar nee zei hij je moet echt doorgaan, want aan de andere kant van de tunnel vind je iets bijzonders, namelijk allemaal kleine natuurlijke bronnetjes. Direct kwam de gedachte op aan de donkere nacht waarover Johannes van het Kruis (JvhK) spreekt en aan het thema van vandaag de zoektocht naar de b r o n.
 
Onze zon en haar planeten maken deel uit van het Melkwegstelsel. Dat is een ronde, afgeplatte verzameling van ruim 100 miljard sterren. Onze zon bevindt zich op een afstand van circa 30.000 lichtjaren van het centrum van de Melkweg. Ter verduidelijking: het licht verplaatst zich met een snelheid van 300.000 km per seconde, terwijl de omtrek van de aarde maar 40.000 km is, dus het licht verplaatst zich per seconde bijna 8 keer de omtrek van de aarde. Het voortgaan met deze snelheid gedurende een jaar noemt men dus een lichtjaar. De doorsnede van de Melkweg is circa 100.000 lichtjaren en ons Melkwegstelsel is slechts één van de naar schatting miljoenen sterrenstelsels, voor zover we dat met de huidige telescopen kunnen waarnemen.
 
De indruk die de grootsheid van het heelal op je maakt laat iets van de goddelijke scheppingskracht zien. Het geeft je het warme gevoel dat de mogelijkheden van de Godheid oneindig zijn.
 
Als Augustinus echter in de belijdenissen de aarde, de hemel en de zon (toentertijd wist hij nog niets van een veel groter heelal) ondervraagt, zeggen ze hem dat ze niet zijn God zijn, dat hij hoger moet zoeken.
Waarop Augustinus antwoordt: Toen heb ik aan alle wezens die de poorten van mijn zinnen omringen gezegd: spreek mij van mijn God, die jullie niet zijn. Vertel mij iets van Hem!
En zij hebben mij met luider stem toegeschreeuwd: ‘Hij is het die ons gemaakt heeft!’’
Zijn vraag was zijn zoeken; hun antwoord was hun schoonheid.
 
Als het mysterie van het leven niet door woorden geraakt kan worden doet de mystici toch een poging om hetgeen hij ervaren heeft door middel van poëzie, symbolen, beelden of vergelijkingen te omschrijven.
 
In de mystiek is er sprake van religie als levende ervaring. Zonder ervaring is godsdienst een gebouw met gammele zuilen, meer in stand gehouden door hen die zich bezighouden met het aanboren van fondsen zoals bijvoorbeeld monumentenzorg, dan door hen die vanuit eigen ervaring vol inspiratie een gemeenschap van zoekende en hunkerende zielen kunnen gidsen.
Waar mystieke ervaring verdwijnt, verschijnen blinden die blinden leiden.
Zij zullen zich vasthouden aan dogma’s, rituelen en bijbelvaste teksten.
Of ze laten ‘hun’ geest waaien zoals die maar wil, onder het mom van: 'vrijheid doet leven'.
 
Edith Stein zegt:
Het is niet nodig dat wij, tot op het einde van ons leven tot een gerechtelijk bewijs van onze religieuze ervaring komen. Het is echter wel noodzakelijk dat we tot een beslissing voor of tegen God komen. Dat wordt van ons verlangd: te besluiten zonder waarborg. Dat is het grote waagstuk van het geloof. De weg gaat van geloven tot schouwen, niet omgekeerd. Wie te ijdel is om door dit kleine poortje te gaan, die komt er niet in. Wie er echter door gaat, die komt reeds in dit leven tot een steeds helder wordende klaarheid. Waar de eigen ervaring tekortschiet, daar kan men steunen op de getuigenissen van mystici zoals JvhK en Teresa van Avila (TvA).
Toch blijft de weg van het geloof een duistere weg. De denker die de maatstaf van de natuurlijke kennis aanlegt, schrikt steeds terug voor de sprong over de afgrond…..
de gelovige springt er gemakkelijk over, de ongelovige blijft er voor staan.
 
JvhK zegt: 'wie de moed heeft door het duister heen te gaan zal, bij terugkeer in het morgenlicht, het oude vertrouwde gerijpt terug vinden'. Er is geen andere weg, dan er doorheen te gaan.
 
Hij geeft ons enige wenken om de nacht der zinnen te leren kennen en er te kunnen binnengaan, waarbij hij een onderscheidt maakt in:
  1. actieve wijze              – wat de ziel zelf kan en moet doen
  2. passieve wijze            – de ziel doet niets, maar God werkt in haar
 
Als eerste actieve wijze geeft hij aan: koester doorlopend het verlangen in alles Christus na te volgen door uw leven aan het zijne gelijkvormig te maken, dus zijn leven overwegen.
 
Wat had hij vaak in de Heilige Schrift gelezen en wat waren de woorden bronnen van inspiratie geweest. Van binnenuit hadden de teksten hun geheimen prijsgegeven. Geen verstandelijke kennis had hem kunnen openbaren wat het hart hem schonk. Als oesters die zich openen voor een krachtig licht, zo hadden de teksten uit de Schrift zich voor hem geopend.
 
Alle verhalen over bronnen die in ’t eerste testament zijn opgetekend, monden bij Hem uit. Al wat voor Israël echt van belang is, gebeurd steevast bij een bron: daar werd Rebecca gevonden als Isaaks bruid; daar sloeg Mozes water uit de rots in de woestijn; daar putte Jacob water voor zijn volk en voor zijn vee.
 
Bij het 1e wonder in Kana werden 6 kruiken tot de rand gevuld. Maria zegt tot de dienaren “wat Hij u ook beveelt, doe het maar”. Dit was het eerste teken van Jezus aan z’n leerlingen dat ze een overvloed kunnen verwachten door Hem te volgen.
 
Jezus knoopte touwen aaneen tot een zweep en joeg alle verkopers met de runderen, schapen en duiven de tempel uit. Hij presenteert zichzelf als dé nieuwe tempel, waar geen plaats is voor handelaars, noch behoefte aan runderen, schapen of duiven.
 
Er is voor Jezus maar één ‘levend water’: dat van de Geest,
en maar één spijs: de wil te doen van zijn Vader.
Want de Vader die de bron van leven is heeft de Zoon gemachtigd om eveneens de bron van leven te zijn.
 
De ziel zal dorsten en smachten naar levend water, naar waarheid. Slechts door het goddelijke in ons te aanvaarden kunnen geestelijke honger en dorst voorgoed verdwijnen, kan de ziel drinken uit de ‘put der waarheid’.
 
De ziel is als de Samaritaanse vrouw die vlak bij de bron des levens blijft dorsten omdat ze gehuwd is met het vele, en het Ene, de Heer van Leven, de innerlijke Christus, niet in zichzelf herkent. Jezus antwoordde haar: ”iedereen die drinkt van dit water krijgt weer dorst, maar wie drinkt van het water dat ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel: het water dat Ik hem zal geven, zal hem opborrelen als een bron van eeuwig leven.
 
Velen zoeken, vooral ook vandaag de dag, naar geestelijk water en geestelijk brood, maar vinden dit niet omdat ze niet afdalen tot de bron van het leven.
Dat er nog niets verandert is in de wereld kunnen we lezen in Jesaja 41:
 
Armen en misdeelden zoeken water en het is er niet,
Hun tong is van de dorst verdroogd.
Ik Jahwe, zal hen verhoren; Ik, de God van Israël, verlaat hen niet.
Op kale plekken doe Ik beken ontspringen,
En bronnen midden in de vlakten.
Van de woestijn maak Ik een waterplas,
Een waterader wordt het dorre land.
Van water in een dorstig land heeft Israël de eeuwen door gedroomd. Nu staat ze daar: de levensbron waaruit iedereen in overvloed kan drinken.
‘Uit zijn binnenste zullen stromen van levend water vloeien (joh 7,38). Jezus is de bron.
Niemand heeft ooit God gezien. Om God te kunnen ‘zien’, zo leert de bijbel, moeten we sterven aan de oude ‘mens’, het ego.
Dan kunnen we met Eckhart zeggen dat het oog waarmee ik God zie, hetzelfde oog is waarmee God mij ziet.
 
Dit is wat JvhK bedoelt met de passieve wijze - de ziel doet niets, maar God werkt in haar.
 
Ofwel in prachtige mystieke taal:
de mens stuurt zijn adem niet naar God, maar God stuurt zijn adem naar de mens.
 
Ware evangelisatie is het evangelie léven. Wie het evangelie leeft en voorleeft zal, zonder te hoeven werven, merken dat er zich om hem heen een cirkel zal verzamelen van mensen die, naar gelang de innerlijke kracht en rijpheid van de ziel, als vanzelfsprekend de innerlijke weg zullen volgen. Dit zien we duidelijk bij de stichting van de eerste Karmels o.l.v. JvhK en TvA.
 
Soefimeester en mysticus Inayat Khan legt dit als volgt uit:
Alle dingen en alle wezens schijnen aan de oppervlakte van het bestaan gescheiden van elkaar te zijn, maar onder de oppervlakte zijn zij op elk niveau dieper bij elkaar, terwijl zij op het innerlijkste niveau alle één worden. Zo beïnvloedt elke verstoring van de vrede van het kleinste deel van het bestaan aan de oppervlakte, innerlijk het geheel.
Daarom is elke gedachte, elk woord of elke handeling die de vrede verstoort verkeerd, kwaad en een zonde; maar als het vrede voortbrengt is het juist, goed en een deugd.
 
JvhK beschrijft dat de donkere nacht van de zinnen een periode van menselijke rijping is. Doordat hij zoveel dorheid ervaart en wordt ondergedompeld in zijn eigen zondige menselijkheid, gaat de mens over van
een oppervlakkige liefde voor God en zijn medemensen en van een oppervlakkige zelfkennis,
naar een authentieke evangelische liefde en een nederige zelfkennis.
Deze nacht wil een einde maken aan onze gehechtheid aan de genoegens die we vinden in de dingen van de wereld, om aan God de plaats toe te kennen die Hem in ons leven toekomt.
 
In het Geestelijk Hooglied beschrijft hij:
Wie derhalve God zoekt en tegelijkertijd zijn eigen genot en gemak wil behouden, zoekt Hem ’s nachts. Zo zal hij Hem niet vinden. Maar wie Hem zoekt door het beoefenen en het in de praktijk brengen van de deugden, stapt uit het bed van zijn genot en plezier en zoekt Hem overdag.
En zo zal hij Hem vinden.
 
God is licht, zegt Johannes. We gaan naar God in het licht, niet in de duisternis. Als JvhK en andere mystici zo van duisternis spreken, heeft dat gewoon met een taalwet te maken: er is schaduw nodig om het licht te meten.
 
Wie zal ons genezen?
Voor JvhK is God een hemelse arts wiens interventie onontbeerlijk is om het menselijk hart te genezen van zijn zwakheden en ziektes. Heel de leer van hem kan worden geïnterpreteerd als een beschrijving van de werking van de Heilige Geest, die de diepste structuur van het menselijk wezen geneest door de mens een goddelijke manier van denken, handelen en beminnen te schenken. Hij was er van overtuigd dat God ‘de gezondheid van de ziel’ is.
 
JvhK beschouwt de liefde als het fundament van de genezing. Of anders gezegd, de therapie bestaat erin dat wij de liefde van God de kans geven om steeds diepere delen van onze psyche en geest te doordringen. Deze therapeutische liefde bereikt ons via het louterende schouwen.
Hij definieert het schouwen als een ‘verborgen ingieten’ van de liefde van God in de ziel:
Het schouwen is de ervaring dat wij bemint worden door de Heilige Geest op het diepste niveau van ons psychisch leven en onze geest.
 
De bruid uit het Geestelijk Hooglied zet zich aan het eind van haar lange zwerftocht neer bij een waterbron, waarin ze haar eigen gelaat weerspiegeld ziet:
 
O kristallijnen bronwel,
Mocht in het zilveren schijnsel van uw wezen
Ge ineens te aanschouwen geven
De zo verbeide ogen
Waarvan ik binnenin mij 't vage beeld draag
 
Maar wat zij ziet als een spiegelbeeld is in werkelijkheid het wezen van de kristallijnen spiegel (spiegel van kristal, maar vooral spiegel van Christus): dit beeld, dat ze als het hare ziet, is evengoed het beeld van de Welbeminde, de twee beelden dekken elkaar volledig. In een flits van bewustwording ziet de ziel zichzelf op het moment dat ze zich verenigd weet met Christus:
de Welbeminde was niet oneindig ver weg, maar onnoemelijk dichtbij.
Hij was in de ziel en zij had er geen weet van!
‘Jij was binnen in mij’, zegt Augustinus, ‘en ik zocht je daarbuiten;
Jij was bij mij en ik was niet bij Jou’.
 
Natuurlijk is geen enkele geestelijke leiding in staat om zo’n vereniging tot stand te brengen, maar haar rol is het nu juist om alle waanvoorstellingen te verwijderen en de ziel uit te nodigen niet overal heen te hollen, maar het spiegelende water onberoerd te laten:
‘Gewaarschuwd’ (en dat is in zekere zin geestelijke leiding) ‘om tot me zelf terug te keren’ zegt Augustinus ook nog, ‘ben ik tot het diepste van mezelf binnen gegaan’.
In dat diepste zelf zal het beeld vorm krijgen en op het moment dat de Welbeminde dat wil zal de vereniging tot stand komen.
 
Christus is de grote genezer. Zoals hij tijdens zijn aardse leven melaatsen, blinden en lammen genas als symbool van de diepere genezing van onze geestelijke natuur, zo gaat hij nog steeds door met zijn genezingswerk door middel van de kracht van de Heilige Geest die in ons hart woont.
 
JvhK zei eens het volgende over een heilig mens:
Neem nimmer een mens, hoe heilig hij ook mag zijn, tot voorbeeld van uw handelingen, want de vijand zal niet nalaten u zijn onvolmaaktheden te tonen. Indien ge echter Jezus Christus navolgt, die de allerhoogste Volmaaktheid en Heiligheid is, zult ge nooit kunnen dwalen.
Het grote belang van de heilige is dat hij steeds naar de bron verwijst. Het is aan ons of we eraan voorbij willen gaan, eruit willen drinken of erin willen versmelten: water in water.
 
Om mystiek en zeker mystieke poëzie te kunnen lezen, moet er reeds een zekere gevoeligheid aanwezig zijn. En het beste ontvangstorgaan om het onzegbare te ontvangen, is het hart.
Het hart is bij uitstek het luisterorgaan voor de stilte.
 
Niet voor niets luidt een van de zaligsprekingen: Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Reinheid van hart is een staat van bewustzijn waarin begeren naar wereldlijke dingen is uitgedoofd. Daardoor kan het hart de zachte fluistering van het onzegbare mysterie opvangen.
 
Als afsluiting een dialoog aan het sterfbed JvhK, waarbij u moet weten dat hij door zijn medebroeders vaak heel slecht behandeld werd:
 
‘Toe.., ’zei broeder Francisco, ‘toe… vergeef me, vergeef mij alsjeblieft!’
 
Woorden verstilden. De witte muren benadrukten de sereniteit van die kleine man die daar uitgemergeld, vol zweren en builen op zijn bed lag.
 
‘Er is niets te vergeven waarde broeder… Heus, er is niets te vergeven… In de brief aan u en broeder Diego Evangelista heb ik het ook al geschreven. In mijn geest bestaan geen vijanden…
 
 
Liefde, liefde, liefde … daar gaat alles om..’