Navigatie Link overslaanStart > Geloof > Johannes van het Kruis > Fuente 2004.11.06
Lezing Fuentedag 07 november 2004                                   Marleen Kroezen

Lieve mensen,
 
De tekst waarop wij ons vandaag willen bezinnen is een stukje uit het eerste boek van de Bestijging van de Berg Karmel. De Bestijging van de Berg Karmel behandelt het beroemde gedicht van Johannes van het Kruis 'De Donkere Nacht. Het is altijd weer moeilijk slechts een stukje uit een tekst te lichten om op een dag als vandaag met elkaar te bespreken.
We willen proberen om aan de hand van Johannes van het Kruis iets te leren over de innerlijke rust waar we zo naar kunnen verlangen.
 
Om tot rust te komen zullen we het moeten hebben over de onrust die ons belet om tot rust te kunnen komen. Onrust, onze twijfels over ons zelf, wat we kunnen, en wat we niet kunnen. Onrust over wat we doen, doen wij wat we willen, of handelen we naar wat anderen van ons willen? En dan onze eigen narrige trekjes, onze eigen schaduw kanten, hoe gaan we daar mee om? Wie verlangen wij te zijn?
 
Johannes van het Kruis kan ons wellicht helpen ons enig inzicht te verschaffen naar de weg die tot innerlijke rust leidt.
We hebben een aanleiding gevonden in de eerste strofe van de Donkere Nacht en wel in de uitleg van Johannes over de eerste zin van het gedicht: In een nacht aarde donker.
 
De gehele eerste strofe luidt;
In een nacht, aarde donker
in brand geraakt en radeloos van liefde
- en hoe had ik geluk-
ging ik eruit en niemand die het merkte
want mijn huis lag reeds te slapen.
 
Want haar huis lag reeds te slapen...
Want haar huis - dit wil hier zeggen "haar zintuiglijk niveau" lag reeds te slapen. 
De verlangens zijn bij de ziel uit het gedicht reeds tot rust gebracht.
Over onze verlangens die nog niet tot rust zijn gebracht gaat de tekst van vandaag. 13 hoofdstukken lang probeert Johannes van het Kruis ons te helpen los te komen van onze verlangens die ons onrustig maken.
 
Verlangens staan ons in de weg, "zij vermoeien ons en putten ons uit" staat in de tekst te lezen. Volgens Johannes van het Kruis moeten we afstand doen van al onze verlangens die thuishoren in de categorie "schepsel" willen we ooit tot ons diepste verlangen - rusten in God -  komen.
Hoewel we dit rusten in God in ons aardse bestaan niet kunnen meemaken, kunnen we toch wel nu al af en toe proeven van een rust die met God te maken heeft. Als we even afstand nemen van de drukte van alledag, als we tijdens een wandeling echt kunnen genieten van de natuur en haar stilte, als we alle gedachten en ergernissen aan onszelf en anderen van ons af kunnen zetten door bijvoorbeeld te luisteren naar mooie muziek, zetten we als het ware onze gedachten op nul en leven voor een moment in het nu. Een kostbaar moment van zijn, van rust. Zo gauw we zo'n moment van rust beseffen, benoemen, is het alweer voorbij en gaan onze gedachten weer op volle toeren aan het werk.
Op zo'n moment van rust willen we niets, hoeven we niets.
 
St. Jan maakt een onderscheid tussen de natuurlijke verlangens en de vrijwillige verlangens. Met onze natuurlijke verlangens is gelukkig niets mis, zij hinderen ons niet op het pad naar de vereniging met God. Maar onze vrijwillige verlangens verhinderen ons om tot God te kunnen gaan, en die moeten we overwinnen. Alle 13 hoofdstukken doorlezend brengt me tot het besef dat er een lange weg te gaan is. In St. Jans raadgevingen over hoe onze verlangens te overwinnen schrijft hij:
Als zich een genot aan u opdringt bij het horen van dingen die niet bijdragen tot de dienst en de eer van God, dan moet gij er geen plezier in willen hebben, en het niet willen horen. Als het u plezier zou doen naar dingen te kijken die u niet dichter bij God brengen, dan moet ge dat plezier niet willen en naar die dingen niet willen kijken. Volgens St. Jan verschaft deze leefwijze ons rust.
 
Brengt het stilleggen van onze verlangens ons rust?
Als we goed naar ons zelf, onze handel en wandel durven kijken, ontdekken we misschien eigenschappen in onszelf die ons onrustig maken. Een willen hebben van - verlangen naar - veel wat we niet nodig hebben, het doen van handelingen waarvan we weten dat het niet uit liefde maar bijvoorbeeld uit eigenbelang of zelfwaardering gaat. Een knagend geweten omdat we niet naar onze innerlijke stem geluisterd hebben.
 
In de voorbereiding op deze inleiding kwam ik bij toeval(?) het boekje Innerlijke rust van Anselm Grun tegen.
Het boekje begint met een verhaaltje over een man die zich zo ergerde aan zijn eigen schaduw, die zo ongelukkig was over zijn eigen voetstappen, dat hij besloot om ze achter zich te laten. Hij zei tegen zichzelf: ik loop er gewoon voor weg. Dus stond hij op en liep weg. Maar elke keer als hij zijn voet neerzette, had hij weer een stap gedaan en zijn schaduw volgde hem moeiteloos. Hij zei tegen zichzelf: ik moet harder lopen. Dus liep hij harder en harder, net zolang tot hij dood in elkaar zakte. Als hij gewoon in de schaduw van een boom was gestapt, was hij van zijn eigen schaduw verlost geweest, en als hij was gaan zitten, waren er geen stappen meer geweest. Maar daar had hij niet aan gedacht.'
Bij het schrijven van deze inleiding realiseer ik mij de omstandigheden van de voorbereiding. Op een vakantie in Beieren en inderdaad zittend in de schaduw van een boom, heb ik het boekje gelezen. En… ik werd er rustig van!
 De man uit het verhaaltje komt er niet toe, zoals zoveel mensen er niet toe komen, ook niet op een vakantie. Ook vakanties worden druk ingepland met excursies, met veel doen. Men gaat nieuwe oppervlakkige relaties aan, om maar niet naar de werkelijkheid van alle dag te hoeven kijken.
 
Als we onze eigen werkelijkheid niet onder ogen durven zien, bang zijn naar onze eigen zwakke plekken te kijken en angst hebben dat anderen onze zwakke plekken ontdekken leven we in onrust. Als we afgunstig zijn op anderen leidt dat er toe dat we ons voortdurend met anderen vergelijken. We kunnen niet bij onszelf blijven en genieten van wat ons gegeven is. We zijn steeds met onze gedachten bij de ander, ontlenen onze waarde aan de vergelijking met anderen. Anderen moeten gedegradeerd worden om zelf in waarde te stijgen en om in de eigenwaarde te kunnen geloven.
Wie door jaloezie geplaagd wordt verlangd steeds naar iets wat een ander heeft of doet. Dat kost bergen energie, levert boze gedachten op en beroofd je van de rust.
 
Onrustig zijn we ook door reële angsten, zorgen, die we in het leven van alle dag tegenkomen.
Onze gezondheid laat het soms afweten, angst voor de operatie die komen gaat.
In het bedrijf gaat het niet zo goed, angst voor onze financiële zekerheid.
Zal het goed gaan met onze kinderen, hebben we ze voldoende bagage meegegeven om het leven aan te kunnen. Angst voor de toekomst.
Maar misschien valt de operatie wel mee, misschien krijgt het bedrijf een gunstige wending, en misschien kunnen we wel erg trots op onze kinderen zijn.
In al die ogenblikken van zorgen en angst komen we niet tot rust, genieten we niet van het goede moment waarin we zijn. Leven we niet in het hier en nu.
 
God heeft medelijden met de mens die in angst leeft. Met de mens die zich zorgen maakt. Voor God mag je zijn wie je bent, met al je hebbelijk en onhebbelijk heden, met al je zorgen en angsten.
Maar we weten ook dat God door mensen werkt!
Als we innerlijke rust voor onszelf wensen, begint dat - denk ik – met het accepteren van jezelf zoals je werkelijk bent en andere mensen te accepteren zoals zij zijn, met hun vermogens en onvermogens!
 
Rust is volgens de opvatting van Benedictus geen werkelijke rust, geen lui uitrusten, maar de rust van het verruimde hart!.
 
Met een verruimd hart de medemens tegemoet treden. Behulpzaam zijn waar mogelijk. Het is niet altijd gemakkelijk, mensen om je heen tot bloei laten komen kost vaak een terugtreden van jezelf en toch geeft dat uiteindelijk meer voldoening dan alles zelf te doen voor eigen eer.
 
God heeft medelijden met ons, Hij zond ons Zijn Zoon waaraan we een referentiekader hebben hoe om te gaan met de medemens, met onszelf en met God. Als eerste wenk om onze verlangens te overwinnen zegt Johannes van het Kruis; Koester doorlopend het verlangen in alles Christus na te volgen door uw leven aan het zijne gelijkvormig te maken.
Ge moet zijn leven overwegen om het te kunnen navolgen en u in alle omstandigheden gedragen zoals Hij zich gedragen zou hebben. En ten tweede: om dit goed te doen moet ge afstand doen van elk genot dat zich aan de zinnen voordoet, als iets dat niet uitsluitend tot eer en glorie van God strekt, uit liefde voor Jezus Christus, die in dit leven geen ander genot smaakte, en ook naar geen ander genot verlangde dan de wil te doen van zijn Vader. Dit noemde Hij zijn spijs en voedsel Tot slot nog een prachtige passage over de plek waar God rust. St.Jan schrijft:
Immers in de Zoon alleen is de geneugte van de Vader, die nergens anders rust en nergens anders is dan in zijn beminde Zoon. In Hem rust Hij geheel en al. Heel zijn Wezen deelt Hij Hem mee, en wel in de middag, dit wil zeggen in de eeuwigheid. In alle eeuwigheid immers brengt Hij Hem voort en heeft Hij Hem voort gebracht.
 
Castricum,  Fuentedag op 7 november 2004