Navigatie Link overslaanStart > Geloof > Johannes van het Kruis > Fuente 2004.05.15
 UITNODIGING
 
voor een bijeenkomst rond de spiritualiteit van Johannes van het Kruis
op zaterdag 15 mei 2004.
 
Deze dag zullen wij ons verdiepen in het thema:
 
“Geluk”
 
In een nacht, aardedonker,
In brand geraakt en radeloos van liefde,
- en hoe had ik geluk! – ging ik eruit en niemand
die ’t merkte - want mijn huis lag reeds te slapen.
 
                                                                          Donkere Nacht Johannes van het Kruis
 
Vanaf 10 uur bent u welkom in de Kloosterboerderij “Jan 17”. te Castricum.
Wilt u vóór 7 mei 2004, via de inzending van het antwoordstrookje laten weten of u aan deze dag wilt deelnemen. Introducés zijn van harte welkom.
Zoals altijd weten wij ons verbonden met de zusters Karmelietessen uit Maastricht.


Tekst bij uitnodiging En hoe had ik geluk!
 
Hier worden de laatste drie regels van de eerste strofe gegeven en uitgelegd.
Dit ‘geluk hebben’ was het gevolg van wat zij onmiddellijk daarna zegt in de volgende verzen:
Ik ging eruit en niemand
die ’t merkte – want mijn huis lag reeds te slapen.
Dit beeld is ontleend aan iemand die om beter zijn opdracht te kunnen voltrekken, in het duister van de nacht zijn huis verlaat. De huisgenoten liggen al te rusten. Niemand stoort hem dus.
 Deze ziel moest er immers uitgaan om een heroïsch en ongewoon werk tot stand te brengen, namelijk daarbuiten één worden met haar goddelijke Beminde.
(Want haar Beminde wordt slechts alléén, buiten in de eenzaamheid gevonden. Daarom wilde de bruid Hem ook alleen vinden. Ze zei: Wie zal mij het geluk geven, o mijn Broeder, U buiten alleen te vinden, zodat ik mijn liefde aan U kan meedelen? (hoogl.8:1). Om het verlangde doel te bereiken moet de in liefde ontvlamde ziel hetzelfde doen, ’s nachts uitgaan, terwijl alle huisgenoten slapen en te rusten liggen. Dit betekent: terwijl haar aardse activiteit, de passies en verlangens van haar ziel, slapen en tot rust gebracht zijn door deze nacht. Zij zijn toch de huisgenoten die altijd, wanneer zij wakker zijn, de ziel bij dit goed storen. Zij staan er immers vijandig tegenover dat de ziel zonder hen uitgaat. Want zij betekenen de huisgenoten, waarvan onze Zaligmaker in het Evangelie (Mt.10:36) zegt, dat zij de vijanden zijn van de mens. Daarom was het goed dat hun activiteit met hun opwellingen in die nacht in slaap gebracht waren, zodat zij de ziel niet konden hinderen bij de bovennatuurlijke goederen van de vereniging in liefde met God. Want als zij waakten en werkten, kon dit niet plaatshebben. Immers al hun natuurlijke activiteit en elke natuurlijke opwelling vormt eerder een belemmering dan een hulp om dit geestelijke goed te ontvangen: de eenwording in liefde. Want elke natuurlijke geschiktheid schiet tekort ten opzichte van de bovennatuurlijke goederen, die God alleen maar in de ziel kan storten als zij passief is. Hij doet dit in het geheim en in stilte. Daarom is het nodig dat alle vermogens zich passief houden om ze te ontvangen en niet hun aardse activiteit en lagere neigingen tussenbeide laten komen.
2. Het was toch voor de ziel een groot geluk dat God in die nacht alle huisgenoten deed inslapen: alle vermogens, passies, gevoelens en verlangens, die op zintuiglijk en geestelijk niveau in de ziel leven. Dit deed Hij, opdat de ziel zonder dat iemand het merkte, dit is niet gehinderd door deze gevoelens enz., de geestelijke vereniging van de volmaakte liefde Gods zou bereiken.
3. Hoe had de ziel inderdaad geluk, toen zij zich los kon maken van dit huis, haar zinnelijkheid! Alleen de ziel die er van geproefd heeft, kan het mijns inziens goed begrijpen. Want zij zal duidelijk zien welke ellendige slavernij haar vasthield en aan hoeveel ellende zij onderworpen was, toen zij bezig moest zijn met haar vermogens en verlangens. Zij zal begrijpen hoe dit leven van de geest werkelijke vrijheid en rijkdom betekent, en welke onschatbare goederen het met zich meebrengt.
 
                                                                          Uit: Mystieke werken Joh.v.h.Kruis. blz 919-920